Anne Provoost en Manu Claeys in De Morgen van maandag 19 januari 2004

Uitingen van onderworpenheid

Het betoog voor het verbod op de hoofddoeken blijft au fur et à mesure verspringen tussen twee pleidooien: een pleidooi voor neutraliteit en een pleidooi voor vrouwenrechten. Voor Patrick Dewael is het verbieden van de hoofddoek vooral een pleidooi voor neutraliteit; de vrouwenrechten komen op de tweede plaats aangezien hij zich enkel zorgen maakt om de hoofddoek in welbepaalde omgevingen en, zoals in Frankrijk, nooit nalaat het onderscheid te benadrukken tussen opvallende en discrete symbolen.
Voor Etienne Vermeersch is het veeleer een pleidooi voor vrouwenrechten en emancipatie, wat tot een veel behartigenswaardiger discussie leidt. Vermeersch heeft helemaal gelijk als hij beweert dat de mensenrechten superieure richtlijnen zijn die niet kunnen wijken voor religieuze of andere voorschriften. Maar dat maakt het omgekeerde nog niet waar: het is niet omdat iemand een recht op dragen van de hoofddoek verdedigt dat hij de mensenrechten inferieur vindt aan gedragsregels van de religie.
Vermeersch wijst op zeven discriminaties van de vrouw in de Koran en de onverenigbaarheid ervan met de mensenrechten. Het is een boodschap die niet voldoende kan worden herhaald in een tijd waarin het hoogstnoodzakelijk is dat religies loskomen van de letterlijke interpretatie van hun boeken. De vraag is evenwel of een verbod hier soelaas zal bieden. Hoewel het een argument is dat we misschien te zelden vanuit moslimhoek hebben gehoord, bestaat er ook zoiets als het dragen van een hoofddoek zonder verplichting vanuit de Koran: als deel van een cultureel gebruik, als gewoonte, als uiting van respect voor de omgeving, als gewetensvolle omgang met de gekregen opvoeding, en zo verder.
Wat in dit debat onvoldoende wordt scherpgesteld is dat er verschillende gradaties zijn in de mate waarin moslimvrouwen door mannen worden onderworpen of zich laten onderwerpen. Je hebt uitingen van onderworpenheid die de betrokken vrouwen ondubbelzinnig schade berokkenen, en je hebt uitingen die dat niet doen. De hoofddoek behoort tot de tweede categorie. Wie ook in die categorie ogenblikkelijke gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen eist, zouden we - van zodra het wat warmer wordt buiten - graag een pleidooi willen horen voeren voor het afschaffen van de bikini's en de topjes van de westerse vrouwen. Wat het bedekken van hun bovenlijf betreft hebben vele vrouwen niet het gevoel dat ze in dit land volledige keuzevrijheid hebben, noch dat ze gelijkwaardig als de man worden behandeld. Maar dat ze hun topje moeten aanhouden berokkent hen geen schade, dus er is geen nood aan een gebod of verbod. De tijd zal die emancipatorische strijd wel leveren.
Je hebt daartegenover uitingen van onderworpenheid die werkelijk ingaan tegen de mensenrechten en die om acute maatregelen vragen omdat ze de (superieure) mensenrechten schenden. Als de bekommernis de onderdrukking van moslimvrouwen is, dan moeten we allereerst dat laatste soort uitingen van discriminatie bestrijden. In dit geval is dat niet de hoofddoek, wel het slaan, afstraffen, verkrachten, uithuwelijken van de vrouw en het verplichten tot het bedekken van lichaamsdelen. Dat is de moeilijke weg. Een hoofddoek verbieden vergt een wet, het onderdrukken van vrouwen verbieden vergt een engagement, en dat is waar het ons aan ontbreekt.
Als het werkelijk om vrouwenrechten gaat, waarom is er dan al niet jarenlang een discussie aan de gang over de pruiken van sommige joodse vrouwen? Omdat die pruiken subtiel de haren vervangen en bijgevolg niet zichtbaar zijn? Zijn 'discrete' uitingen van onderworpenheid minder erg dan 'opvallende' (denk ook aan het glazen plafond voor vrouwen binnen de katholieke Kerk)? Gaan we er niet te makkelijk vanuit dat de meer opvallende uitingen van onderdrukking ook de meest zorgwekkende zijn?
Sommige uitingen van onderworpenheid kunnen beter met steun van de omgeving door de betrokkenen zelf bevochten worden, andere kunnen niet wachten op een emancipatorisch proces en moeten primordiaal en bij wet worden aangepakt. Als de twee worden verward en het urgente ingrijpen wordt verzuimd terwijl alle aandacht gaat naar het niet-urgente ingrijpen, ontstaat er een polarisatie die een nefaste eigenschap heeft: de flagrante inbreuken op het gelijkwaardigheidbeginsel zullen door de betrokken gemeenschap met de mantel der liefde worden bedekt omdat de rangen zich al hebben gesloten omtrent de minder zorgwekkende inbreuken.

Anne Provoost en Manu Claeys


Ga naar naar artikel van deze auteurs over hetzelfde onderwerp in De Standaard.

Andere kritische teksten van Anne Provoost
Andere kritische teksten van Manu Claeys