Kansarmoede
Interview afgenomen in de zomer van 2001 voor de Koning Boudewijnstichting door Anne Brumagne

'Ingrijpen vóór de afvallingskoers is begonnen'

Kan kunst de kansarmoede uit de wereld helpen? Het Algemeen Verslag over de Kansarmoede, opgesteld in samenwerking met kansarmen zelf, toonde aan hoe belangrijk zij het vinden om aan cultuur te kunnen deelnemen. Van hun kant beseffen heel wat kunstenaars dat kansarmoede uit de wereld moet worden geholpen, of dat ze op zijn minst zouden moeten proberen kansarmen van hun werk te laten genieten. Maar velen onder hen worstelen tegelijkertijd met de vraag hoe dat dan moet. Kunstwerken zitten soms ingebed in een bepaalde culturele traditie, of zijn tot stand gekomen na complexe denkprocessen. Niet alle kansarmen hebben genoeg voorkennis om die te kunnen volgen. Moet een plastisch kunstenaar dan een verklarend bordje zetten bij zijn werk waarin hij van naaldje tot draadje uitlegt wat de betekenis is? Moet een schrijver doelbewust zijn teksten vereenvoudigen opdat hij beter begrijpbaar zou zijn voor mensen met een lage scholingsgraad? Kunnen 'intermediairen', mensen die een brug vormen tussen een kansarme en een kunstenaar, soelaas bieden?

Anne Provoost staat niet bekend als een 'gemakkelijk' jeugdschrijfster, integendeel. Ze worstelt dan ook met de vraag of ze, als het over kansarmoede gaat, wel recht van spreken heeft. Nee, je kan niet bij het schrijven van een boek voortdurend in het achterhoofd houden dat alles zo eenvoudig mogelijk moet worden geformuleerd, vindt ze. Op de hurken gaan zitten voor het publiek, of dat nu kinderen zijn, volwassenen met een hoge of een lage scholingsgraad, kan niet als je daarbij je eigen artistieke drift verloochent. Toch huldigt ze allerminst het standpunt dat een schrijver zijn ding moet kunnen doen, zonder ook maar op een of andere manier met zijn publiek rekening te houden. "Dan kan je net zo goed een roman schrijven in een taal die niemand anders begrijpt", zegt ze. Het idee dat anderen een brug kunnen vormen, ligt haar wel. En ze zou er haar neus niet voor ophalen om een lezing te geven over haar werk, voor een publiek waarvan ze weet dat het weinig leeservaring heeft. "Zoiets vind ik wel mijn rol. Maar niet om toegevingen te doen in mijn artistieke werk zelf." Geeft haar dat dan toch geen recht van spreken? Misschien. Als schrijfster kan het haar taak zijn om, misschien utopische, maar toch zeker hoopvolle ideeën te ontwikkelen.

Opnieuw stellen we de vraag: Kan kunst de wereld redden? En kan kunst de kansarmoede uit de wereld helpen? Op dat vlak koestert Provoost geen onrealistische verwachtingen. Enkele jaren terug schreef ze het veel gelauwerde, en intussen ook verfilmde boek Vallen. Het hoofdpersonage, Lucas, geraakt via een vriend in de ban van extreemrechts en pleegt op een bepaald ogenblik zelfs geweld. Hij beseft niet dat hij daarmee in zekere zin in de voetsporen loopt van zijn grootvader, want hij weet niet dat die fout was in de oorlog. " 'Heeft het boek iets teweeggebracht, vraagt men me soms. Aanvankelijk dacht ik van wel", vertelt Provoost. "Maar nu niet meer. Jongeren veranderen, hun gedachtegoed wijzigen, nee, dat kan een boek niet. Een roman kan aan een lezer misschien wel een tweede huid aanbieden, en hem uitnodigen om er in te kruipen. Misschien zal zijn empathisch vermogen daardoor groter worden, het vermogen om je in te leven in iemand die je technisch gezien misschien zelfs helemaal niet kan zijn. Je kan een ervaring opdoen, ze doorleven, zonder dat je ze zelf meemaakt. De enige ambitie die een schrijver dus kan hebben, is volgens mij de volgende. Misschien zal iemand die Vallen heeft gelezen, ooit nog terechtkomen in bijvoorbeeld de wereld van het gerecht, of in de sociale sector, en misschien krijgt hij met een Lucas te maken. Misschien zal hij dan toch een beter gestaafd oordeel kunnen vellen. Niet alleen literatuur, alle vormen van kunst kunnen in wezen iemand zo'n tweede huid laten passen, zijn inlevingsvermogen vergroten. Het gaat daarbij om meer dan identificatie. Er speelt ook altijd een zekere vorm van vervreemding mee, omdat je anders bij gemakkelijke pulp uitkomt. Ik weet het, omgaan met processen van identificatie en vervreemding zijn dingen die je moet leren. Kansarmoede kan te maken hebben met de onervarenheid om met die vervreemding om te gaan. Waarom bouwt iemand als Wim Delvoye een 'kakmachine'? Als dat omgaan met identificatie en vervreemding niet wordt aangeleerd, vrees ik dat er nooit raakpunten zullen zijn tussen de wereld van de kunst en die van de kansarmoede."

Opvoeding en onderwijs, dat vaak op een nogal gratuite wijze met de vinger wordt gewezen voor alles wat fout loopt in de maatschappij, zijn voor Provoost wezenlijk om kansarmoede op langere termijn uit te bannen. In haar argumentatie speelt 'inlevingsvermogen', of nog meer, de drang om iemand te zien leren en groeien, een sleutelrol. "Je moet beginnen bij het begin, bij het kind. Ik besef hoe onfair dit klinkt, maar indien ik budgetten ter beschikking zou kunnen stellen om kansarmoede te bestrijden, zou het grootste gedeelte daarvan naar jonge kansarmen gaan. Ik denk dat je moet ingrijpen vooraleer de afvallingskoers goed en wel is begonnen."

Haar inspiratie voor een begin tot oplossing haalt Provoost bij de idealen van de ervaringsgerichte speelschool in Deurne waar haar eigen kinderen schoollopen. "Een van de doelstellingen is expliciet om alle kinderen uit een klasje te behouden, ze moeten allemaal kunnen meegaan tot het einde. Geen enkel kind wordt gestigmatiseerd. Onderwijs zou veel meer het kaliber moeten hebben van het gezin. Dat zegt ook niet: 'Ons gehandicapte broertje nemen we niet mee'. Nee, je gaat kijken wat de noden zijn van dat kind, en je gaat, ook met de 'ideale' kinderen uit het gezin, afspraken maken en nagaan hoe ieder tot zijn recht kan komen. Ik verwijs naar wat de begeleiding, in 't Speelscholeke naar het voorbeeld van de pedagoog Feuerstein herhaaldelijk zegt: 'Onderwijs moet functioneren zoals een ouder-kindverhouding'. Je moet 'graag zien', de kracht van het opvoedingsproces zit in de blik. Een ouder kan urenlang kijken naar hoe een kind zit te morsen met spaghettisaus, en vreugde voelen als het er uiteindelijk in slaagt de lepel in zijn mond te stoppen. In die blik zit de drang om dat kind te zien groeien, je supportert er voor, je voelt echt de behoefte om het de goede richting uit te duwen. "

Dus vanaf nu wordt heel Vlaanderen, en zeker de kansarmen, vriendelijk maar met aandrang uitgenodigd om voor een methodeschool te kiezen? Provoost zegt te beseffen dat het gevaar van paternalisme om de hoek loert."Het is een probleem waar ik niet helemaal uit ben. Hoe zit het met het vermogen van mensen om zichzelf te helpen of te laten helpen? Kan je alleen maar mensen helpen die willen geholpen worden? Je kan enkel het vehikel aanbieden en mensen moeten er willen instappen. Maar tegelijkertijd besef ik dat er wellicht ook mensen zijn die zelfs dat niet kunnen, op zo'n vehikel stappen. Moet je ze er dan op dwingen? Uiteindelijk kan je dat dilemma oplossen, denk ik, door er van uit te gaan dat iedereen een leven lang leert en dat opvoeden iets wederzijds is. Kennis is niet iets dat van de ene wordt overgeheveld naar de andere. Nee, kennis is iets dat bij wijze van spreken alle richtingen uitschiet. Vanuit dat perspectief kan je niemand beschuldigen van betutteling."

Toch zou je de Experimentele School het verwijt kunnen maken dat ook zij niet ontsnapt aan elitarisme, want het zijn veelal ouders die zelf een opleiding hebben, die er hun kinderen naartoe sturen. Kinderen van kansarmen zitten er niet in grote getale. "Dat zijn de groeipijnen van een proces dat je vooral op langere termijn moet zien. Het is toch belangrijk dat er een groep een speerpuntfunctie vervult en ook van de overheid daartoe de mogelijkheden krijgt. Want eigenlijk zou je moeten kunnen komen tot een veralgemening van die experimentele pedagogische aanpak: een bewuste keuze om alle kinderen mee te nemen, in kleine klasjes, vertrekkend vanuit het kind. Maar dan ook écht vertrekken vanuit het kind, het laten zijn wie het is, en écht luisteren naar wat het te zeggen heeft. De alternatieve middenklasse effent het pad, dat zie je nu al duidelijk bij alles wat te maken heeft met arbeidsduurvermindering. Die middenklasse moet dus armslag krijgen, zo veel zelfs dat zij op haar manier op zoek gaat naar mogelijkheden om kansarmen te integreren in haar experiment.

Maar wat schort er dan in het algemeen nog aan het onderwijs? Waarom blijft het kinderen loslaten? Opnieuw gebruikt Provoost de term 'vervreemding', maar dit keer in een andere betekenis dan daarnet. Dus niet in die van de afstand tussen een kunstwerk en het publiek, een vervreemding die vragen doet ontstaan en waardoor men een waardeoordeel kan vellen. Nu gaat het over de vervreemding tussen de mens enerzijds, zijn arbeid en zijn omgeving anderzijds, een geestelijke afstand die maakt dat die mens zich niet meer betrokken voelt. "Met die definitie van vervreemding heeft het volgens mij alles te maken, met een werknemer die niets meer met zijn eindproduct te maken heeft. Die houding van 'ik doe wat mijn plicht is, en voor de rest zien jullie maar', is ook in het onderwijs doorgedrongen. Dat is geen verwijt aan leraars, die dikwijls heel begeesterd zijn, maar aan een maatschappelijk systeem dat de hete aardappel doorschuift: de ouders zijn vervreemd van de school, bijgevolg ook hun kinderen. Ook de kinderen nemen al snel de houding aan van: ik zit hier omdat het moet.

Maar niet alleen daar, ook in andere werksituaties. Zo vraag ik me af of mensen echt uit de kansarmoede kunnen worden gehaald door ze een job te geven. De term 'arbeid' wordt steevast veel te eng geïnterpreteerd. Arbeid is bijna per definitie datgene wat economisch relevant is. Heel wat mensen doen enkel aan loonarbeid omdat ze een inkomen nodig hebben. De kwaliteit zit hem niet meer in het verrichten van die arbeid op zich, men wil er gewoon zo snel mogelijk mee klaar zijn en heeft het voortdurend over 'tijd winnen' omdat de tijd die wordt besteed niet als zinvol wordt ervaren. Daarnaast is er een boel arbeid die niet gewaardeerd wordt, omdat er niet voor wordt betaald. Want het is 'maar zorgen voor kinderen of voor een dementerende moeder'."

Een basisinkomen uitkeren aan iedereen is volgens Provoost het middel om ook dat soort van arbeid opnieuw te laten waarderen. Het moet voldoende hoog zijn om er van te kunnen leven. Wie zijn inkomen nog verder wil verhogen, kan daarnaast nog een betaalde job uitoefenen. "Mensen zouden arbeid verrichten omdat ze die zinvol vinden, terwijl ze toch al een inkomen hebben. In een utopische maatschappij zou veel meer eigen arbeid moeten bestaan, arbeid die je doet omdat je de drang voelt om hem te doen, omdat hij je verrijkt. Het verschil met een bestaansminimum zoals dat vandaag de dag bestaat, is om te beginnen dat dit bestaansminimum te laag is, zodat mensen toch het gevoel hebben dat ze moeten bijklussen of in het zwart werken. Als het basisinkomen wordt ingevoerd, zal ook het rusten van een moeder die straks borstvoeding gaat geven, worden gevaloriseerd. Vandaag hebben wij bewondering voor politici die er prat op gaan dat ze maar vier uur hebben geslapen vanwege een nachtelijke onderhandelingsronde. Beslissingen worden genomen wanneer niemand nog bij de pinken is! En daar moeten we allen de gevolgen van dragen!

Je zou een utopische maatschappij kunnen creëren waarin iedereen doet wat hij graag doet, waarin hij zich kan uiten. Arbeid die niemand graag doet, zou financieel zo moeten worden beloond dat er toch mensen zijn die er voor kiezen, en het met plezier doen. Nu is het nog vaak zo dat mensen hun baan eigenlijk tijdverlies vinden, en dan op zoek gaan naar een compensatie in hun vrije tijd. Ze belanden in consumptiegedrag. Als een bezigheid op zich verrijkend is, hoeft men wanneer men thuis komt niet meer te compenseren en van alles te kopen. Misschien heeft men dan nog energie over om brieven te schrijven voor Amnesty International. In alle debatten over onthaasting die nu worden gevoerd, schemert toch ook altijd die gedachte door dat arbeid de levenskwaliteit zou moeten verhogen, in plaats van in functie te staan van de markt.
Voor mij hangt 'eenzaamheid', ook een vorm van kansarmoede, eveneens samen met dat idee van loonarbeid. Wie geen 'werkcontext' heeft, heeft niets, luidt de redenering. Terwijl je toch ook voldoening kan vinden in, bijvoorbeeld, het verrichten van buurtwerk."

Provoost beseft dat het idee van het basisinkomen gebaseerd is op een onbekende factor. Om het in te voeren zou er een sprong in het duister moeten worden gemaakt. "Je moet er van uitgaan dat het basisinkomen het beste in de mens losmaakt, dat hij zich genereuzer zal opstellen omdat hij het gevoel heeft dat hij zichzelf kan verwezenlijken. Kwatongen zullen zeggen dat het alleen maar profiteurs zal creëren. Als er inderdaad door het merendeel van de mensen zou worden geprofiteerd, dan stort het systeem in elkaar. Die sprong ben ik bereid te maken, en ik weet dat hier de opvoeding weer een cruciale rol zal spelen. Vandaag bestempelen we mensen als profiteurs die aan de dop staan. Als iedereen een basisinkomen krijgt, hoef je hen niet meer te stigmatiseren."

Loskomen van het marktdenken ligt niet voor de hand. Provoost vertelt dat ze jaren geleden met het idee speelde om een boek te schrijven over Afrika. Ze wou aantonen dat zwarten en blanken gelijk zijn, dat de loop van de geschiedenis had bepaald dat Zwart-Afrika een achterstand had opgelopen, maar dat die kon worden ingehaald. "Meer en meer begon ik echter in te zien dat er wel een wezenlijk verschil is. In onze Westerse cultuur hebben we het altijd maar over groei, dat is onze heilige koe. Als de economie niet groeit beschouwen we dat eigenlijk als een achteruitgang. Afrikanen, maar ook mensen in andere culturen of in sommige subculturen bij ons, kijken daar helemaal anders tegenaan. Voor hen is de status quo het ideaal. Hebben ze een probleem? Dan gaan ze aan de ouderen vragen hoe het vroeger was. En dat is voor hen het uitgangspunt. Terwijl wij vooral niet willen doen zoals de ouderen. Wij schrijven ouderen af. Wij moeten ons misschien toch de vraag gaan stellen of we niet beter vooruit kunnen door eens een stap opzij te zetten, of misschien zelfs achteruit. Materiële groei kan immers ontaarden en ten koste gaan van kansarmen, van de Vierde Wereld bij ons of de Derde Wereld ver weg. Als de discrepantie steeds groter wordt tussen wie 'meegroeit' en wie niet, dan zitten we met een groot moreel probleem." Provoost bepleit dat mensen de mechanismen van het 'steeds meer' voortdurend in vraag zouden stellen. De enige groei die in haar ogen wél zonder meer positief is en vooruitgang betekent, is mentale groei. Mensen zouden steeds verder over hun bestaan moeten kunnen reflecteren. "Ik weet het wel, sommigen gaan ook daar zo ver in dat ze tilt slaan. Maar meestal is het gewoon heel erg verrijkend."

Andere kritische teksten van Anne Provoost