Interview van Katrien Vloeberghs met Anne Provoost, gehouden in het asielzoekerscentrum van Hoboken op 16 mei 2001 op initiatief van KCLB, en opgetekend door Myriam De Splenter.
Dit interview verscheen in het tijdschrift Openbaar 3/2001 van KCLB.

Liever geen ultieme identificatie met het hoofdpersonage

Waarom schrijft u voor adolescenten?

Anne Provoost: 'Mijn pedagogische onderlegdheid is minimaal. Ik weet niet of er vraag is naar adolescentenliteratuur. Ik bied iets aan waarvan ik hoop dat het de lezers zal interesseren. Ik schrijf graag over jonge karakters. Niet omdat ik ze goed ken - als 36-jarige ligt mijn eigen adolescentieperiode ook al een hele tijd achter mij - maar omdat het een interessante fase in een mensenleven is. Vele deuren staan nog open. Met het ouder worden worden een paar mogelijkheden definitief afgesloten. Zo zal ik nooit meer primaballerina worden, of kan ik nooit meer niet-moeder zijn. Een deel van de aantrekkelijkheid ligt in het mysterieuze. Meisjes en jongens van zeventien kunnen er zo geheimzinnig uitzien, vind ik. Je zou dus kunnen stellen dat ik over hen schrijf juist omdat ik er niet veel van weet, juist omdat ik ze niet begrijp. Hen proberen te bevatten maakt mijn schrijfproces boeiend.
Verhaaltechnisch is een hoofdpersonage in zijn adolescentie interessant omdat je karakter veel verschillende kanten kan uitgaan. Je kunt jezelf als schrijver dramatisch interessante wendingen toestaan, je kunt 'zwenken' zoals jongeren dat soms doen. De val van Lucas bijvoorbeeld kan worden gevolgd door een tegenovergestelde beweging. Je ziet het personage op zijn bek gaan en omdat hij zo jong is blijft de mogelijkheid dat hij zich herpakt groot. Een volwassene die een molotovcocktail gooit naar een asielzoekerscentrum is in zeker zin meer 'verloren' dan een jongere die zoiets doet.'

Dit brengt het gesprek op het verwarrende van de adolescentie, de beïnvloedbaarheid van de jongeren.

Anne Provoost: 'Daar gaat Vallen natuurlijk helemaal over, over de achterkant van de medaille van dat nog niet beslist hebben, en daardoor in sommige gevallen het nog onbeslist zijn. Veel meer dan over rechts-extremisme gaat Vallen over de wendbaarheid van iemand die jong is. Lucas is niet sterk maar ook niet slecht. Toch gaat hij in de fout. Ineens gaat de verleiding daar erg in meespelen, die van het extremistische denken en het geloof dat er zoiets bestaat als een eenvoudige formule die een reeks problemen oplost.
De aantrekkelijkheid voor het schrijven van dit boek lag voor mij in het neerzetten van een antiheld. Jongeren vertellen mij dat ze zich storen aan die Lucas. Ze zeggen: "U kent ons niet, wij zijn niet zo." Ik denk dat ze willen zeggen dat ze zich met Lucas niet wensen te identificeren.'

Er is in de loop van de avond al veel over identificatie gepraat. In boeken voor jongeren zou het van belang zijn dat de lezer zich kan identificeren. Katrien Vloeberghs: 'Het lijkt wel of u identificatie met uw hoofdpersonages tegenwerkt.'

Anne Provoost: 'Ik vind een boek pas interessant als binnen de mogelijkheid tot identificatie ook heel veel wrijving zit. Er zijn momenten van vervreemding nodig, literatuur werkt voor mij niet als dat laatste er niet is. Herkenbaarheid zonder wrijving resulteert in pulp. Het verhaal mag niet al te zeer klaar zijn voor gebruik, het mag niet te gemakkelijk zijn om in een personage te stappen. De schrijver moet voortdurend aan de herkenbaarheid morrelen. Eigenlijk mag het boek gerust een soort muizenval zijn. Je wordt erin gelokt door een taalgebruik dat heldere beelden oproept, door een goedgedefinieerde probleemstelling, en dan merk je dat zelfs als je eruit wil je niet terug kan. Dan wil je als lezer wel geloven: zo ben ik niet, hiermee wil ik me niet identificeren, maar de problematiek laat je al niet meer los.'

Katrien Vloeberghs: 'Onmogelijke keuzes spelen een belangrijke rol in uw werk. Een moeder moet kiezen tussen haar twee zonen, een meisje tussen haar vader en haar geliefde.'

Anne Provoost: 'Dat heeft te maken met de kwaliteit van dilemma's als verhaaltechnisch element. Dilemma's interesseren mij, ik kan daar niets aan doen. Mensen denken dat daar een programma achter zit. Ik heb natuurlijk een mening over die dingen: elke keuze heeft een angel. Je moet je ermee verzoenen en de keuze niet voortdurend in vraag stellen eens je ze gemaakt hebt. Dat probeer ik aan mijn kinderen mee te geven. Maar het is niet mijn betrachting om in mijn boeken de keuzes van de lezers te sturen. Mijn ambitie gaat niet verder dan een poging tot oprekken van het empathisch vermogen van wie mijn boek leest. Niet omdat ik vind dat dat moet gebeuren maar wel omdat dat is wat ik zelf zoek als ik lees. Ik wil esthetisch genot beleven maar ook de uitnodiging krijgen om in de schoenen van een ander te staan. Op dat niveau moet de herkenbaarheid liggen, en niet hoger. Het gaat helemaal niet om omgevingsfactoren van de personages, hun taalgebruik of hun gewoontes. Het gevoel dat je krijgt moet zijn: hier zit ik in, dit probleem is zo duidelijk gesteld, zo inzichtelijk, zo 'herkenbaar' dat ik in staat ben mee te gaan.'

Katrien Vloeberghs verwijst naar een essay van Anne over uitzichtloosheid in jeugdliteratuur (link naar het essay). 'Kan je de jonge lezer een dreun verkopen en hem dan in het duister achterlaten? Of moet een jeugdboek altijd eindigen op hoop?''

Anne Provoost: 'Ik schrijf over thema's die mij bezighouden, en waarvan ik vermoed dat ze dus ook voor een aantal lezers interessant zullen zijn. Een boek schrijven duurt bij mij altijd een paar jaar, ik kan dus maar beter onderwerpen kiezen waarvan ik weet dat ze me zullen blijven boeien, dat ze complex genoeg zijn en me niet na een paar maanden in de steek zullen laten omdat ik ineens het gevoel heb dat ik alles er omtrent begrijp en doorheb. Want niets is zo fnuikend voor het schrijven als het gevoel dat je je onderwerp begrijpt.
Zie je, ik ga niet aan het schrijven omdat ik vind: nu moeten de jongeren maar eens in het duister achtergelaten worden. Alleen kan ik niet onder mezelf uit. Gewoonlijk ben ik hoopvol en opbouwend en dat komt in mijn boeken tot uiting, maar er ook zijn momenten van zinsverlies, en ook dat komt in mijn boeken. Ik geef niet zozeer een bepaalde mening weer, maar eerder een levensgevoel. Dat levensgevoel is dat soms de dingen die gebeuren zinvol zijn en soms zinloos. Als ik dat niet aan kinderen zou toegeven lieg ik.
Een boek kan je doen wenen zonder dat het je bedreigt. Identificatie is hier uitgesteld of plaatsvervangend verdriet, het is een oefening. Ook in die zin is lezen leren leven, het is anticiperen op dingen die iedereen kunnen overkomen.'

Interview van Katrien Vloeberghs met Anne Provoost, gehouden in het asielzoekerscentrum van Hoboken op 16 mei 2001 op initiatief van KCLB, en opgetekend door Myriam De Splenter.
Dit interview verscheen in het tijdschrift Openbaar 3/2001 van KCLB.

Lees hier meer kritische teksten van de auteur