Deze brief in pfd

Antwerpen, 2 april 2006



Beste heer Hans Christian Andersen,

Vanochtend liet ik mijn boodschappentas vallen. In de tas zat proviand voor een tweetal dagen, waaronder drie potten gepureerde tomaten voor de Bolognese saus waar mijn kinderen zo van houden. Ik foeterde. Hier had ik geen tijd voor. Niet voor het opruimen, en niet voor het bedenken van een alternatief voor de saus die ik de kinderen had beloofd. Als ik zeg 'foeterde' bedoel ik dat ik iets deed wat nieuw voor me was. Ik sprak een bezwering uit. Het waren woorden waarvan ik niet wist waar ik ze vandaan had. 'Wat geef ik er niet voor…? Wat geef ik er niet voor…?' prevelde ik. Ik spoelde de bananen af onder de kraan en vroeg me af wat me bezielde. Ik probeerde de zin van de bezwering af te maken. Toen drong tot me door dat 'Wat geef ik er niet voor…?' een bede is uit uw tekst Het verhaal van een moeder. En ik wist dat de rode smurrie aan mijn handen de associatie opriep met een moment van veel grotere onmacht dan een paar gebroken potten.

In Het verhaal van een moeder schrijft u over een vrouw die bij haar zieke kind zit, bang dat het zal sterven. Er wordt op de deur geklopt, en een oude man komt binnen. De man rilt van de kou, en de moeder geeft hem een kannetje bier. De moeder heeft drie dagen en drie nachten geen oog dichtgedaan, dus ze valt in slaap. Een paar ogenblikken maar. Ze wordt wakker van een koude wind die door de kamer waait. Haar kind is verdwenen, de oude man ook. Ze beseft dat haar bezoeker De Dood was; hij heeft haar kind meegenomen.

We zijn nog maar een bladzijde ver in uw verhaal en we zijn al getuige van de fatale seconde: dat moment van onoplettendheid, dat ene voorval dat onomkeerbaar blijkt, en waarop - in uw woorden - het loden gewicht uit de klok valt en de tijd stilstaat. Het is het moment waarop iemand zegt: wat geef ik er niet voor om terug te gaan in de tijd. In een tekst is dit meestal een interessant moment. Het is het ogenblik dat de kansen keren en de protagonist een nieuwe richting uit gedwongen wordt. Hierna heeft de schrijver maar een beperkt aantal mogelijkheden: een eerste is dat door uitputting of zwakte de aftakeling begint. Een andere is dat de fatale seconde een hoop energie en kracht vrijmaakt.

In Het verhaal van een moeder kiest u voor het laatste. De moeder loopt de nacht in en gaat achter De Dood aan. Na een lange zoektocht bereikt ze de kas waarin Gods levensbomen en -bloemen staan. Daar gaat ze bij De Dood haar kind terugeisen.

U doet in Het verhaal van een moeder wat alleen in fictie kan: u keert het onomkeerbare om. Een van de mooie dingen aan fictie is dat het helpt ons het onwaarschijnlijke voor te stellen. Wat als je nu toch de klok terug kon draaien? Bij wijze van hersenoefening krijgt de lezer een inkijk in hoe het zou zijn als het fatale toch afwendbaar was.
Doorgaans ben ik een krachtig verdediger van teksten over het niet-waargebeurde. U moet weten, geachte heer Andersen, ik leef in een tijd waarin hoog ingezet wordt op feitelijkheid. We hebben toegang tot zeer veel informatie. Scholen en bibliotheken zijn echte kennisinstituten. Dat lezen om informatie te verwerven nuttig is vergt geen argumentatie. Maar het lezen van fictie is minder verdedigbaar. Is het lezen van niet waargebeurde verhalen niet iets wat je doet ter ontspanning, of als vlucht, om al het andere te vergeten?

Het lezen van een fictionele tekst vergt een grotere souplesse van de geest dan het lezen van een tekst waarvan je weet dat alles bedoeld is als waar, gestaafd, onderzocht, beargumenteerd. Het willen meegaan met de schrijver naar het niet-waargebeurde heeft een ontegensprekelijke meerwaarde. Omdat fictie niet in de eerste plaats verslag doet van wat echt is gebeurd, daagt het uit om de beschreven niet-waargebeurdheden als lezer te hérdenken. De lezer wordt in een waar gebeurd verhaal hooguit geconfronteerd met de kwestie: 'Wat zou ik doen als ik dit meemaakte?' In een fictief verhaal kan zijn vraagstelling verder gaan, en uitmonden in een veel avontuurlijker oefening: 'Hoe had dit anders kunnen lopen?' Of ook: 'Als dit mijn verhaal was geweest, hoe zou ik het hebben uitgewerkt?'

Non-fictie verzoent zich met de onomkeerbaarheid, fictie zet vraagtekens bij de onomkeerbaarheid, laat alle hoeken van de onomkeerbaarheid zien. In die zin is fictie lezen een actiever proces dan het lezen van non-fictie. Een waar gebeurd verhaal prikkelt ons inlevingsvermogen, een fictief verhaal prikkelt onze verbeelding.

Toch zat uw verhaal me dwars, beste heer Andersen. Terwijl ik, heel erg op mijn hoede voor de vlijmscherpe scherven, de tomatenpuree opruimde, werd me duidelijk waarom. Het had te maken met de glijdende schaal van de fictie. Er zijn verhalen die niet echt gebeurd zijn, maar wel zouden kunnen gebeuren. Een stap verder gaan de verhalen die niet waar gebeurd zijn, en ook nooit kunnen gebeuren. De dosering van het fictieve is waar elke schrijver mee speelt. De chronologie in ons vertellen staat los van de chronologische lotsbestemming in ons werkelijke leven. Wij zijn bezig met het creëren van zones die buiten de tijd staan en alle tijd in zich verzamelen. De moeder in uw verhaal krijgt een nieuwe kans, ook al weten we dat als de fatale seconde aanbreekt er geen weg terug is. Literatuur is nu eenmaal uit dit soort ongerijmdheden opgebouwd. Toch bekroop me ineens het gevoel dat u in dit verhaal te ver was gegaan.

Sinds uw dood werd de lineaire traditie in de fictieve literatuur doorkruist door de relativiteitstheorie, de chaostheorie, het besef dat we ook informatie verwerven en verwerken die is gerangschikt in vertakkende lijnen - de tuin van de paden die zich splitsen, zoals Borges ze noemde. Er werd gesteld dat onze geest in staat is tot patroonherkenning in een amorfe massa. Meer en meer kreeg men inzicht in de complexiteit van ons bestaan. We hadden het over discontinuïteit, onzekerheid, onvoorspelbaarheid, gelijktijdigheid.... Maar hoezeer het ook gonst van die begrippen, hoe diep men er ook van overtuigd is dat lineariteit een verouderd begrip is, en men bij de interpretatie van verhalen graag spreekt in termen van synchronisatie, associatie en dissociatie… één ding is niet veranderd: we krijgen in ons leven vroeg of laat te maken met de onomkeerbaarheid. Hoe we ook experimenteren met tijd en gelijktijdigheid, in romans, in theater, en nu ook in films, … als we de kunsten tegenover het echte leven stellen, merken we toch telkens weer dat er iets is waar we geen invloed op kunnen uitoefenen: het onverbiddelijke lopen van de zandloper.

Er zijn mensen die hebben gezegd dat we zonder taal niet kunnen denken. Ik ben daar niet zeker van. Wel weet ik vrij zeker dat ons denken niet kan worden losgekoppeld van de tijd. De tijd is als een rijdende trein: we kunnen er niet af tot hij stilhoudt. We hebben het bewijs dat tijd relatief is, en toch hebben we nog niets gevonden om op basis van dat inzicht een seconde tijd te winnen. We zijn doordrongen van die ene, onvermijdelijke waarheid: dat we met z'n allen onderworpen zijn aan de wetten van de entropie, dat we tot stof vergaan. Wat we ook proberen, welke genetische manipulaties we ook doorvoeren, een kuiken eindigt als een stoffige hen, nooit omgekeerd.
De tijd doet dienst als kader voor ons denken. Ook de informatie die ons in onwillekeurige volgorde wordt aangereikt, gaan we schikken in de tijd. Het en toen, en toen, en toen… lijkt noodzakelijk om correct te onthouden. Ontelbaar zijn in onze kranten de kaderstukjes met een tijdbalk. Historisch perspectief is een gewaardeerde invalshoek in bijna al ons denken. We hebben nu zoiets als een World Wide Web, beste heer Andersen. Bij elke klik ontvouwt zich een nieuwe tekst, en kunnen we lezen volgens een richting die met lineariteit of chronologie niets meer heeft te maken. Maar dat is schijn, want ook dat World Wide Web begint zich te corrigeren. Langzaamaan dringt het besef door dat ook daar de informatie chronologie en datering nodig heeft wil het rag van teksten en afbeeldingen niet volkomen onontwarbaar worden. Een klik op een woord betekent immers dat je binnenkomt in een tekst die óf later óf eerder is verschenen dan de vorige. Opnieuw gaat de lezer een reconstructie maken van de tijdslijn.

Precies daar zat mijn ergernis. De moeder in uw verhaal draait de klok terug om haar fatale seconde te omzeilen. Wat brengt een schrijver ertoe om zo ver af te wijken van de onvermijdelijke werkelijkheid die we als enige ware ervaren? U moet begrijpen, geachte Heer Andersen, ik stond met tomatenpuree tot in mijn haren! Ineens leek dit spel van de literatuur zo schamel, helemaal niet afdoend voor wat het leven met ons van plan is. Ik keek naar de smurrie en kon alleen maar denken: hoe heb ik ooit op de fictieve literatuur kunnen vertrouwen? Kan ik niet beter leunen op getuigenissen van auteurs die zoiets echt hebben meegemaakt, in plaats van op dit metaforische verhaal dat met mijn existentiële ervaring van tijd geen rekening houdt?

Er is me lang geleden verteld dat de verhalen aan het ene uiterste op de schaal van de fictie - sprookjes, mythes en fabels - ons hielpen om onze plaats in het universum te bepalen. Dat kan kloppen. Veelal nagelen ze ons vast op de plek waar we al stonden: op het tijdelijke, het voorlopige, het voorbijgaande. Ze herinneren ons eraan dat onze plaats in het universum niet los kan gezien worden van onze tijd. Sprookjes, mythen en aanverwanten bieden geen andere werkelijkheid, ze houden een verlangen naar een andere werkelijkheid wakker. Misschien is dat troostend, maar wat koop ik ervoor als het tegenzit en mijn leven in scherven uiteen valt? Zal ik in 'sprookjes' geloven als mijn leven op een onomkeerbaar punt gekomen is?

Gelukkig ontdekte ik bij het herlezen van uw verhaal een element dat me eerder was ontgaan. Om haar kind te redden probeert de moeder De Dood te chanteren. Ze grijpt met iedere hand een levensbloem uit de kas van God en dreigt ermee ze allebei uit te rukken. 'Raak ze niet aan!' zegt De Dood. 'Je zegt dat je zo ongelukkig bent en nu wil je een andere moeder even ongelukkig maken!' 'Een andere moeder?' antwoordt de vrouw, en ze laat de bloemen meteen los.

Deze wending is me dierbaar. Hij doet vermoeden dat een allegorische vertelling als de uwe misschien toch meer ambieert dan ons te bevestigen in ons gevoel van tijdelijkheid en voorlopigheid. Ik lees hem als een pleidooi om de fatale seconde in ons leven niet als een grijs, betekenisloos moment te ervaren, maar als een moment van transcendentie. Met transcendentie bedoel ik het moment waarop de mens zijn fysieke en materiële beperkingen overstijgt, en het gevoel krijgt dat hij meer kan zijn dan de banale speelbal van de tijd. Een ogenblik van solidariteit veeleer dan van ultieme eenzaamheid of dorre tegenslag. Ik weet niet of u het zo bedoeld heeft, maar mag ik dit alstublieft lezen als de mogelijkheid om onze fatale seconde als iets anders te ervaren dan als het grote niets? Mag ik het verlangen, of minstens de hoop, koesteren dat er nog iets is in de leegte, ook al zal de realiteit straks iets heel anders bewijzen? Ik heb het niet over omkeerbaarheid, ook niet over onsterfelijkheid, maar wel over verbondenheid, met lotgenoten, in verhalen en in de werkelijkheid. Daar heb ik, als moeder van drie kinderen die verzot zijn op Bolognese saus, en altijd bang voor de fatale seconde, dan op de valreep nog net de troost aan die ik van fictie verwacht.

Met vriendelijke groet,
Anne Provoost

Andere kritische teksten van Anne Provoost