Anne Provoost en Manu
Claeys in De Gazet van Antwerpen van November 2002
Open grenzen, vrije migratie
Is pleiten voor open grenzen te liberaal?
vroeg senator Van Quickenborne zich enkele weken geleden publiekelijk
af. Neen, antwoorden wij, en we gaan verder: vrij migratie is de grondvoorwaarde
om tot een werkelijke liberale democratie te komen.
In de westerse democratie is het principe
gemeengoed geworden dat wie zich zonder toestemming van een eigenaar
op privé-terrein begeeft het recht op eigendom schendt. Geldt
dit ook voor een staat, een gebied dat bewoond wordt door verschillende
mensen? Is een staat collectief privé-bezit? Wie is eigenaar
van een staat? In een democratie zijn dat de burgers die zichzelf besturen
via een verkozen gezaghebber - de overheid. Die overheid beslist wie
er in komt en wie niet, wie aanspraak kan maken op gastvrijheid en wie
niet.
Het stemgerechtigd zijn valt in de praktijk bijna uitsluitend samen
met de nationaliteit: wie nationaliteit 'bezit', is mede-eigenaar. Ooit
is het anders geweest. Het waren de 19de-eeuwse natie-staten die de
vrijheid van beweging gingen beperken met behulp van paspoorten, grenscontroles
en een immigratiepolitiek. Ze deden dat voor hun veiligheid (in oorlogstijd),
maar ook om het langzaam opgebouwde systeem van financiële solidariteit
binnen de sociale welvaartsstaat te beschermen (in vredestijd).
George Monbiot beschreef al hoe een toename van de rijkdom gepaard gaat
met de uitbreiding en het steviger vastleggen van eigendomsrechten.
In de voorbije decennia legden vermogende privé-personen niet
alleen beslag op stukken strand en publieke archieven maar ook op menselijke
genen of landingsplaatsen op de maan. Een constante bij die privatisering
is: hoe banger men wordt voor inbreuken op het eigendomsrecht, hoe hoger
de muren.
Dezelfde evolutie doet zich voor met het 'eigendom' dat een land is.
Naarmate het land rijker wordt, voelt het zich meer bedreigd en sluit
het zichzelf meer af met steeds striktere wetten en altijd dikkere grenzen.
Arme landen voelen die behoefte niet zo.
Dat alles leidt tot onhoudbare spanningen. Geen regio besefte dat zo
goed als het Europa van na de wereldoorlogen. Daarom begon vanaf de
jaren vijftig een omgekeerd proces: de grenzen tussen de Europese landen
werden opnieuw geslecht, beslissingsinstanties integreerden met elkaar
en verhuisden naar Europees of regionaal niveau. Met de uitholling van
de natie-staat raakte ook de inperking van bewegingsvrijheid achterhaald.
Het optrekken van grenzen - het privatiseren
van een staat door en ten gunste van een geselecteerde groep, zeg maar
- kan worden teruggedraaid. We kunnen het experiment bovendien wereldwijd
uitbreiden. Neen, niet alleen uit gewetenswroeging tegenover de ongelukkigen
die buiten hun wil om in een miserabel deel van de wereld geboren zijn,
of uit spijt om de te hoge menselijke prijs die betaald wordt voor waterdichte
grenzen (aangespoelde lijken, gestikte verstekelingen). Ook niet wegens
nood aan arbeidskrachten of het tegengaan van de vergrijzing, al was
het maar omdat deze argumenten dubbelzinnig gehanteerd worden (het Westen
wil goedkope poetsers en fruitplukkers, maar eist tegelijk harde maatregelen
tegen die migranten die ze in de illegaliteit houdt).
Wel om die oude contractie de wereld uit te helpen: hoe rijm je de vrijheid
van beweging met een op angstig egoïsme gebaseerde invulling van
het recht op collectief eigendom en vruchtgebruik?
Als de optie van vreemdelingen buiten
houden verdwenen is, moeten we werk maken van een betere omgang met
elkaar. Door samen in het bad te gaan, verstevigde de Europese Unie
noodgedwongen de democratie waar dat nog een wankel begrip was, verlaagde
ze culturele barrières, verspreidde of verdiepte ze de gedachte
van sociale bescherming en verminderde ze de economische rivaliteit.
Veiligheid en politieke stabiliteit steunen op openheid en wederzijdse
afhankelijkheid, niet op geweld of uitsluiting. De grenzen verliezen
zienderogen hun belang. In de plaats van het militaire denken is een
multilateraal denken gekomen, waarbij iedereen zich om het even waar
mag vestigen om een deel van de koek te claimen.
In De Standaard van 21 juni 2002 schrijft Bart Sturtewagen het volgende:
'We beseffen allemaal dat het antwoord ligt in een grotere bereidheid
om onze welvaart te delen, niet in straffere grensbewaking. Maar onze
verschrikte leiders zijn te bang van ons om dat nog te durven zeggen.'
Er is meer controle op illegale mensen dan op illegale diamanten. Het
vrije verkeer van 'neutraal' kapitaal wordt als minder problematisch
beschouwd dan de vrije migratie van mensen. De vrije markt van het burgerschap
blijft stevig gesloten. Dat allemaal omdat het openstellen van grenzen
in eerste instantie een politiek taboe is, veeleer dan een economisch
of cultureel aantoonbaar probleem. De kwestie ligt politiek zo gevoelig
dat een opbod ontstaat om de xenofobe stem binnen te rijven door in
te spelen op angstgevoelens dat vreemdelingen het land zullen overspoelen,
terwijl studies aanwijzen dat die vrees sterk overdreven is, want mensen
blijven zeer gehecht aan de plek van herkomst. Bovendien worden allerlei
gevoelens van onzekerheid die niets te maken hebben met 'de' vreemdeling
in de 'overspoelingsgedachte' samengebracht. De strijd tegen illegalen
blijkt daarom telkens weer lonender dan de strijd voor verbeterde integratie
of vrijere migratie.
Willen we de discussie over dat laatste
echt ernstig voeren, dan moeten we haar uit de electorale sfeer halen
en op een filosofisch en praktisch niveau tillen. Dit betekent dat we
gezamenlijk nadenken over het principe dat mensen het recht hebben om
in andere landen een bestaan op te bouwen, en over de concrete uitwerking
ervan - in die volgorde.
Na de eventuele aanvaarding van het principe gaat het niet om het blindelings
open gooien van de grenzen maar om het ontwikkelen van een niet-naïeve
dynamiek in die richting. Misschien moet de migratie aanvankelijk toch
gefaseerd verlopen, via quota en lottrekking, zoals dat ook in de 'vrije'
zoektocht naar een school gaat? Misschien moeten we een internationaal
systeem van sociale zekerheid op poten zetten? Het lijkt aannemelijk
dat het sluiten van verdragen tussen landen en landenunies een cruciale
rol zal spelen - de tien kandidaat-leden voor de Unie moesten 80.000
bladzijden Europees recht omzetten in eigen wetten - maar welke zijn
dan de voorwaarden? In welke mate laten we de territoriale soevereiniteit
van een staat zoals vastgelegd in het volkenrecht los? Wat in verband
met het behoud van de lokale eigenheid? Moeten we vrije migratie koppelen
aan een versterking van lokale bevoegdheden? Hoever kan een gastland
gaan in het vastleggen van regels omtrent inburgering? De houding van
de Franstalige minderheid in de Vlaamse rand leidde in deze veeleer
tot een verhoogd wantrouwen vanwege de gastheren: hoe vermijd je dit?
Internationale afspraken over de rechten van minderheden en meerderheden
zullen hierbij hun rol spelen.
Niemand zegt dat de weg naar vrije migratie gemakkelijk is. Maar dat
mag ons niet beletten een debat te voeren over de financiële kosten
van zwarte circuits (illegalen worden niet belast en betalen geen sociale
bijdrage), over de zin van het staatsburgerschap of over de toegang
tot stemrecht.
De discussie over het migrantenstemrecht is verwant aan en daarom relevant
voor de kwestie. Voor een meerderheid van de Belgische senatoren blijft
het abstracte begrip 'nationaliteit' belangrijker dan de concrete uiting
van 'goesting' om zich - al dan niet tijdelijk - ergens te engageren
door er te wonen, te werken, verenigingen op te richten, belasting te
betalen enzovoort. Ook wat dat betreft worstelt met name de partij van
senator Van Quickenborne met een dilemma. Want hoe liberaal is de eis
om het stemrecht te koppelen aan de nationaliteit, en hoe ontkracht
je de aantijging dat deze koppeling meer te maken heeft met het beschermen
van privileges en het buiten houden van wie gelijke rechten eist dan
met een wil tot samenlevingsopbouw? Misschien is het aanmoedigen van
het 'bezitten' van een nationaliteit om bepaalde rechten te verwerven
dan toch een vorm van privatiseren.
Zolang een democratie niet werkelijk (= stemrechtelijk) openstaat voor
alle nieuwelingen die er deel van willen uitmaken, is ze een schertsvertoning.
In die zin lijkt het geloof in vrije migratie een grondvoorwaarde om
tot een liberale democratie te komen. Op lange termijn helpt het de
positieve ontwikkeling van andere democratieën vooruit, en maakt
het de wereld veiliger.
Anne Provoost en Manu Claeys
Andere kritische
teksten van Manu Claeys
Andere kritische teksten van Anne Provoost